Boem, daar ging weer een kabinet. Het eerste met een minister voor Jeugd en Gezin.
Wat heeft het ons
gebracht?
1. Dát er een aparte minister was, heeft ervoor gezorgd dat jeugd en gezin definitief
op de (politieke) kaart
kwamen. Al betekende het ook dat er nog fanatieker naar de geldruif werd gehapt.
2. De Kamer deed hijgerig over jeugdzorg, met als klap op de vuurpijl de instelling
van een parlementaire
werkgroep die de (gedegen) evaluatie van de Wet op de jeugdzorg dunnetjes overdeed.
3. De minister kantte zich tegen een stelselherziening. Maar met de invoering
van Centra voor Jeugd en Gezin
wakkerde hij de discussie daarover zelf aan.
4. De evaluatie van de Wet op de jeugdzorg dreigde te verengen tot een reorganisatiedebat.
Dat kan dankzij de
kabinetscrisis overigens nog veranderen, als ook de sector daar zijn best voor
doet.
5. De wachtlijstproblematiek is niet opgelost. Dat is een minpunt op Rouvoets
conduitestaat.
6. De bureaucratie is verminderd, met dank aan zowel de minister als de sector
zelf.
7. Jeugdzorgwerk wordt steeds meer een echt vak, met alles (registratie, erkenning,
scholing) wat
daar bij hoort.
De balans? Doe nog maar een minister. Maar dan een iets daadkrachtiger type.
Menno Bosma, hoofdredacteur Jeugd en Co