Site-navigatie

‘Transformeren én bezuinigen is slechte combinatie’

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands jeugdinstituut
Steeds meer gemeenten kampen met fikse financiële tekorten op jeugdhulp. Sommige gemeenten introduceren daarom wachttijden, andere proberen de kostprijs van jeugdhulp te drukken of bezuinigen op preventie. Dat zijn echter geen structurele oplossingen, aldus het Nederlands Jeugdinstituut. Bestuurder Ans van de Maat: ‘Gemeenten draaien aan de knoppen die ze hebben. Begrijpelijk, maar dit is een complex vraagstuk waarvoor geen snelle oplossingen bestaan. Het vraagt om een transformatie van de hele zorg voor jeugd, met inzet van alle betrokken partijen in het sociaal domein.’

Op dit moment doen ruim 405.000 van de 3,6 miljoen kinderen en jongeren een beroep op jeugdhulp; in 2015 waren dat er nog 366.000 (CBS, 2018). Die stijging is een trend die al zo’n twintig jaar geleden begon. De decentralisatie van de zorg voor jeugd naar gemeenten in 2015 had de trend moeten keren. Door de hulp onder regie van de gemeente te organiseren, dicht bij gezinnen, zou de toegankelijkheid, samenhang en effectiviteit van de zorg verbeteren. Dat zou gemeenten bovendien stimuleren om te investeren in preventie en vroeghulp, met als resultaat een afnemende vraag naar jeugdhulp en besparing op de kosten.

In de praktijk is die omslag nog niet van de grond gekomen. Van de Maat: ‘Daarvoor is een complexe verandering nodig die tijd, ruimte en investeringen vraagt van alle partijen in het sociaal domein die een rol spelen in het leven van kinderen. Het feit dat deze verandering gepaard gaat met een bezuiniging van 15 procent zet gemeenten voor een schier onmogelijke opgave. In feite heeft het Rijk de winst ingeboekt nog voor de gemeenten de kans hadden die te incasseren.’

Mogelijke verklaringen

Minister Hugo de Jonge van VWS heeft onderzoek aangekondigd naar de tekorten in de jeugdhulp en naar de achtergronden ervan. Er zijn dus nog geen onderbouwde uitspraken over die achtergronden te doen. Wel ziet het Nederlands Jeugdinstituut een aantal mogelijke verklaringen voor de stijging van het jeugdhulpgebruik.

‘Vooropgesteld: de beschikbare cijfers zijn lastig te vergelijken’, waarschuwt Van de Maat. ‘Sinds de decentralisatie wordt er anders geregistreerd; daar moet je rekening mee houden bij de interpretatie van de cijfers.’

‘Wel weten we dat met name het beroep op lichte ambulante jeugdhulp is gegroeid. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Bijvoorbeeld dat we meer signaleren nu de zorg dichter bij gezinnen is georganiseerd. Maar ook lijkt het erop dat alledaagse opvoedvragen die ouders voorheen met de school of met vrienden bespraken, nu als jeugdhulp worden geregistreerd.’

‘Aan de andere kant krijgen we de indruk dat bepaalde problemen niet tijdig worden gezien, terwijl eerder ingrijpen escalatie in later stadium had kunnen voorkomen. Verder zijn er maatschappelijke ontwikkelingen die mogelijk een rol spelen. Zoals de toenemende prestatiedruk op jongeren vanuit de samenleving, school en ouders, de invloed van sociale media en de medicalisering. Als samenleving lijken we intoleranter tegenover afwijkend gedrag. Vroeger keek niemand op van een druk kind; nu wordt al snel over ADHD gesproken.

Onderzoek en debat

‘Deze ontwikkelingen vragen om nader onderzoek en reflectie, maar ook om een maatschappelijk debat’, stelt Van de Maat. ‘Vinden wij als samenleving de groeiende vraag naar jeugdhulp een goede ontwikkeling of willen we dat onze kinderen anders opgroeien? Wat verwachten we van kinderen en hoe organiseren we de voorzieningen voor kinderen en gezinnen in ons land? Moeten we niet veel meer inzetten op beschermende factoren in plaats van opvoedvragen te benaderen als een probleem? En maken we wel genoeg gebruik van onze kennis?’

Hoe verder?

Intussen proberen gemeenten te bezuinigen door de tarieven voor jeugdhulp te verlagen, wachttijden in te stellen en preventieve activiteiten te schrappen. Van de Maat: ‘Gemeenten hebben veel minder sturingsmogelijkheden dan vaak wordt gedacht. Ze hebben weinig invloed op verwijzingen via huisarts of rechter; ze gaan niet over onderwijs en kinderopvang. Ze draaien aan de knoppen die ze wél hebben, maar die bieden geen structurele oplossing.’

‘Deze situatie vraagt om een aanpak die zich niet beperkt tot de jeugdhulp maar waarin we samen optrekken met de andere partijen die een rol spelen in het leven van kinderen. Denk bijvoorbeeld aan het beter toerusten van leerkrachten en pedagogisch medewerkers op de kinderopvang, zodat zij alledaagse opvoed- en opgroeivragen kunnen pareren en beginnende problemen bijsturen. Het vraagt ook om een weloverwogen inzet op preventie als onlosmakelijk onderdeel van integraal beleid. En om interventies vanuit de jeugdhulp die bijdragen aan schoolsucces, wat een belangrijke beschermende factor is.’

Van de Maat verwijst naar Zweden, een land dat al jaren succesvol werkt met een methode om risicofactoren voor afglijden of mishandeling te inventariseren en daar beschermingsfactoren tegenover zet. Zo wordt in Zweden ouderbetrokkenheid en schoolmotivatie gestimuleerd en worden duidelijke normen gesteld voor positief gedrag.

Zo thuis mogelijk

‘Tegelijkertijd is het cruciaal om ook een beweging op gang te brengen waardoor kinderen die nu in een instelling zitten, doorstromen naar bijvoorbeeld een gezinshuis of een pleeggezin. Of zelfs ambulant geholpen worden. We kennen voorbeelden in binnen- en buitenland van hoe je dat kunt aanpakken en zien goede resultaten.’

Complexe verbouwing

‘Nogmaals, deze complexe verbouwing is slecht te combineren met bezuinigingen. Houd de bezuinigingen daarom nog eens tegen het licht. Maar realiseer je wel: geld alleen lost de problemen niet op.’

Het Nederlands Jeugdinstituut is geen voorstander van het terugdraaien van de decentralisatie. ‘Integendeel: met nieuwe stelselwijzigingen kom je er echt niet. We hebben veel kennis over wat wel en wat niet werkt. Laten we die kennis benutten. Samen kunnen we ervoor zorgen dat onze kinderen ook in een gedecentraliseerd veld veilig, gezond en kansrijk opgroeien.’

Nederlands Jeugd instituut