Site-navigatie

Nieuws

Seksueel probleemgedrag vraagt om brede aanpak

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands jeugdinstituut

Intensieve behandelingen die herhaling van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij jongeren moeten verminderen, zijn niet effectief. Dit concludeert Ellis ter Beek in haar proefschrift, waarop zij op 14 februari promoveert aan de Universiteit van Amsterdam.

Ter Beek onderzocht verschillende intensieve en gedwongen behandelvormen, die geen van alle lijken te werken. Bovendien krijgt 38 procent van de jongeren met ernstig seksueel probleemgedrag een te intensieve en te restrictieve behandeling. Reden hiervoor is dat het risico op herhaald seksueel misbruik vaak te hoog wordt ingeschat. Een te zware behandeling is echter schadelijk voor de algemene ontwikkeling van de jongere.

Volgens Ter Beek is het belangrijk dat de behandeling zich niet expliciet richt op het verminderen van seksueel probleemgedrag. Een ‘holistische’ benadering, waarbij ook aandacht is voor psychosociale problematiek, is beter voor het welzijn van de jongere. De behandelresultaten worden dan mogelijk beter en een terugval in seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt voorkomen.

Bron: Universiteit van Amsterdam

Realiseren ambities Jeugdwet vraagt extra inspanning

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

De ‘Eerste evaluatie Jeugdwet’ laat zien dat de beoogde transformatie naar een effectiever jeugdstelsel nog niet is gerealiseerd. Er is meer tijd nodig om de doelen van de Jeugdwet te bereiken. De evaluatie levert een agenda op voor een gezamenlijke aanpak door gemeenten, zorgaanbieders en cliënten om de transformatie verder te brengen. Er worden geen aanbevelingen gedaan om de Jeugdwet te veranderen. Dit zijn de belangrijkste conclusies van de Eerste evaluatie Jeugdwet, die vandaag is aangeboden aan de ministeries van VWS en JenV en aan de VNG.

Knelpunten cliënten

Drie jaar na de invoering van de Jeugdwet blijkt het voor lang niet alle kinderen, jongeren en ouders eenvoudig om de jeugdhulp te krijgen die nodig is. Volgens bijna een op de drie ouders in het onderzoek heeft dat zelfs veel moeite gekost. Dit geldt vooral voor gezinnen in een kwetsbare positie. Over de feitelijke hulp zijn cliënten over het algemeen tevreden. De onderzoekers pleiten onder andere voor een betere informatievoorziening, waardoor cliënten hun weg naar jeugdhulp beter kunnen vinden, en voor extra aandacht voor gezinnen in een kwetsbare positie. Daarbij is niet alleen een rol weggelegd voor gemeenten maar ook voor huisartsen, scholen en de jeugdgezondheidszorg.

Verbinden met andere domeinen

Ook laat de evaluatie zien dat gemeenten nog onvoldoende toekomen aan het leggen van de verbinding tussen de jeugdhulp en andere domeinen, zoals de schuldhulpverlening, het onderwijs of de Wmo. Dat gemeenten die verbindingen zouden leggen, was een van de belangrijkste overwegingen achter de decentralisatie.

Diversiteit lokale teams

Lokale teams zoals wijkteams, buurtteams en wijknetwerken hebben in vrijwel alle gemeenten een cruciale rol gekregen bij het realiseren van de doelen van de Jeugdwet. In de evaluatie wordt geconstateerd dat er grote verschillen zijn tussen deze teams, zoals wijkteams, buurtteams en wijknetwerken. Sommige teams verwijzen alleen door, sommige teams bestaan vooral uit specialisten of zijn juist veel breder samengesteld. Er zijn zorgen over de expertise van professionals in de lokale teams, met name bij complexe problemen. De onderzoekers bevelen aan dat lokale teams direct hulp kunnen bieden en daarvoor beschikken over professionaliteit in de breedte en specialistische expertise. Omdat lokale teams in vrijwel alle gemeenten een cruciale rol hebben gekregen bij het realiseren van de doelen van de Jeugdwet, geven de onderzoekers in overweging om hiervoor een gezamenlijke visie te ontwikkelen die ruimte biedt om bij de uitvoering en organisatie rekening te houden met de lokale context.

Administratieve lasten beperken ruimte professionals

De gemeentelijke beleidsvrijheid heeft geleid tot een grote diversiteit in de uitvoering van het jeugdbeleid. Dit heeft als neveneffect dat professionals zich geconfronteerd zien met een grote variëteit aan regelingen. Dat vraagt veel tijd, leidt tot een toename van administratieve lasten en perkt de ruimte in om zorg op maat te bieden. Er moet gezocht worden naar mogelijkheden om meer ruimte aan de professional te laten, zonder daarbij de gemeentelijke beleidsvrijheid in te perken.

Visie op passende zorg

Wat in het algemeen ontbreekt, is een gedeelde visie op passende zorg waarin de diversiteit van hulpvragers en hulpvragen wordt erkend en benoemd. Een dergelijke visie is richtinggevend voor de gezamenlijke inspanningen om meer samenhang en samenwerking in de uitvoering van het jeugdbeleid te realiseren.

Rechtsbescherming

Uit de juridische analyse blijkt dat rechtsbescherming bij jeugdhulp nog tekortschiet. Aanbestedingsregels maar ook de spanning tussen gegevensuitwisseling en het recht op privacy bemoeilijken de samenwerking en samenhang in de jeugdhulp. Het verdient aanbeveling te onderzoeken hoe de afspraken hierover kunnen bijdragen aan de samenwerking binnen het sociaal domein en de samenhang in het stelsel.

Over de evaluatie

De evaluatie is uitgezet en begeleid door ZonMw, in opdracht van de ministeries van VWS en JenV. De evaluatie is gebaseerd op bestaand onderzoek en enquêtes onder gemeenten, zorgaanbieders en ouders.
De uitvoering lag bij een samenwerkingsverband van zeven organisaties: het Nivel, het Nederlands Jeugdinstituut, de Universiteit Leiden, Stichting Alexander, het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en Academische Werkplaatsen
Jeugd verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen en de Tilburg University.

Jeugdwet niet ter discussie, wel knelpunten in uitvoering

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

De Jeugdwet biedt een goed fundament voor een beter werkend jeugdstelsel, waardoor jeugdigen en hun ouders kunnen rekenen op hulp die aansluit bij hun behoeften. Er zijn knelpunten in de uitvoering van de wet, die vragen om een gedeelde visie op passende zorg. De urgentie voor gemeenten, zorgaanbieders en cliënten om samen te werken is vergroot. En daar ligt ook de oplossing van de belangrijkste knelpunten, aldus de onderzoekers van het Nederlands Jeugdinstituut in de deelstudie Zorglandschap en Veiligheid van de Eerste evaluatie Jeugdwet.

Een goed fundament met zwakke plekken

De Jeugdwet biedt ruimte voor diversiteit in de lokale uitvoering waardoor gemeenten en zorgaanbieders beter kunnen aansluiten bij de vragen van burgers. Door het ontbreken van een gemeenschappelijk kader zijn er een aantal zwakke plekken in de uitvoering, Dit openbaart zich met name bij de toegang, waardoor de jeugdhulpplicht moeilijk te vervullen is. Initiatieven voor kwaliteitsverbetering werken nog onvoldoende door naar de praktijk. De rechtspositie van cliënten in relatie tot privacy en hulp met drang vraagt aandacht.

Druk op intensieve zorg onverminderd, samenwerking beter

Met betrekking tot de vraag of het veld zich beweegt richting de doelen die met de wet nagestreefd worden, laat het onderzoek een wisselend beeld zien:
De druk op intensieve zorg is nog niet verminderd.
De inzet op preventie en eigen kracht van kinderen en ouders is nog in ontwikkeling.
Respondenten vinden dat er meer samenwerking is tussen jeugdhulpaanbieders onderling en met het bredere sociale domein. Marktwerking en administratieve lasten, zoals aanbestedingsregels en regeldruk, kunnen integrale samenwerking in de weg staan. Dit geldt des te meer voor het gedwongen kader, waar sprake is van een niet volledig gedecentraliseerd stelsel. Respondenten zien de oplossing niet in een aanpassing van de wet, maar vooral in een verdere ontschotting binnen gemeenten en binnen regio’s.
De diversiteit in regels, kwaliteitseisen en procedures beperkt de beoogde ruimte voor professionals.

Over het geheel genomen constateren de onderzoekers dat een gedeelde visie op passende zorg – die richtinggevend is voor de gezamenlijke inspanningen om meer samenhang en samenwerking in de uitvoering van het jeugdbeleid te realiseren – ontbreekt.

Drie vuistregels bij besluitvorming voor professionals

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

Methoden en instrumenten zijn belangrijk, maar niet het enige dat professionals nodig hebben om tot een zorgvuldige besluitvorming bij (vermoedens van) kindermishandeling te komen. Dat betoogt promovendus Cora Bartelink 1 februari 2018 tijdens de verdediging van haar proefschrift ‘Dilemmas in child protection’. Desgevraagd geeft zij drie vuistregels die hen kunnen helpen om nauwgezet afwegingen te maken in kindermishandelingszaken.

Jaarlijks zijn er bijna 119.000 kinderen het slachtoffer van kindermishandeling. Voor een effectieve aanpak van deze hardnekkige problematiek is het van belang dat professionals in jeugdhulp en jeugdbescherming komen tot zorgvuldige besluitvorming. Idealiter laten professionals zich daarbij niet alleen leiden door een methodiek zoals bijvoorbeeld een risicotaxatie-instrument, aldus onderzoeker Cora Bartelink (NJi). Desgevraagd formuleert zij drie vuistregels voor professionals om tot een weloverwogen besluit te komen.
Gebruik altijd een methode of instrument om tot gestructureerde besluitvorming te komen. Dit zijn namelijk goede hulpmiddelen bij het in kaart brengen en objectiveren van de veiligheid en eventuele risico’s en ze helpen om blinde vlekken in beeld te krijgen.
Wees je tegelijkertijd ook altijd bewust van de beperkingen van dit soort instrumenten. Onderzoek wijst uit dat persoonlijke redeneringen en opvattingen over kindermishandeling en uithuisplaatsing besluiten van professionals beïnvloeden.
Wees daarom kritisch op je eigen bevindingen en neem je besluit vanuit verschillende perspectieven onder de loep. Betrek collega’s maar ook ouders en kinderen om tot een weloverwogen besluit te komen.

Deze vuistregels zijn gebaseerd op het proefschrift ‘Dilemmas in child protection’. Hierin constateert Cora Bartelink dat persoonlijke redenaties en opvattingen over kindermishandeling en uithuisplaatsing professionals beïnvloeden bij het nemen van besluiten. Het lijkt erop dat professionals toeredeneren naar een besluit dat aansluit bij hun opvattingen. Als professionals zich hiervan bewust zijn en aanvullende maatregelen nemen, draagt dit bij aan een zorgvuldige besluitvorming.

Bron: Nederlands Jeugdinstituut

Betere hechting door lezen gedachten en gevoelens

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

Sensitiviteit van ouders is een belangrijke voorspeller voor hechting. Ook de mate waarin zij in staat zijn om de gedachten en gevoelens van hun baby te ‘lezen’, het zogenaamde mentaliseren, speelt een belangrijke rol bij gehechtheid. Dat blijkt uit een meta-analyse van de Universiteit van Amsterdam (UvA).

De onderzoekers concluderen dat er een verband is tussen de neiging van ouders om de gevoelens en gedachten van hun baby te lezen en de veilige gehechtheid van een baby. Ook vonden ze een verband tussen de neiging van ouders om de gevoelens en gedachten van hun baby te lezen en sensitief opvoedgedrag.

Ouders die vaak en goed mentaliseren, zijn beter in staat zijn om gepast te reageren op het gedrag van hun baby, wat een grotere kans op veilige gehechtheid voorspelt. Daarom adviseren de onderzoekers om interventies ter bevordering van veilige gehechtheid niet alleen te richten op het verbeteren van sensitieve reacties, maar ook op het mentaliserend vermogen van ouders. Ook zou voorlichtingsmateriaal voor nieuwe ouders informatie moeten geven over het belang van mentaliseren.

De meta-analyse is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Psychological Bulletin.

Bron: Universiteit van Amsterdam; Psychological Bulletin

Pedagogisch kwaliteitsniveau kinderopvang in beeld

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

Kinderopvangorganisatie KindeRdam en het Nederlands Jeugdinstituut brengen samen de kwaliteit van de pedagogische praktijk in beeld. Het ‘Veldinstrument observatie pedagogische praktijk’ (NJi/GGD GHOR) en ‘Kwaliteit van leefomgeving’ (NCKO) worden hiervoor geïntegreerd in een overzichtelijke dashboardomgeving. Het overzicht geeft feitelijke informatie over specifieke proceskwaliteit-items en is nuttig voor zowel professionals als management, ouders en inspectie.

De dashboardomgeving wordt gevuld door pedagogische stafmedewerkers van KindeRdam en geeft informatie over de pedagogische kwaliteit van handelen op groeps-, locatie-, cluster- en organisatieniveau. Locaties krijgen hiermee grip op de praktijk: welke inzet is succesvol en waar is verbetering nodig? Het levert gerichte input voor scholingsbeleid en coaching.

Het dashboard maakt het mogelijk om specifieke ervaringen en adviezen uit te wisselen; deelnemers kunnen elkaars leertraject volgen en worden geattendeerd op nieuwe kennis. Het kennissysteem versterkt zichzelf zo vanuit de praktijk en vice versa. KindeRdam meet de gegevens aan de eigen maatstaf voor kwaliteit en kan zo haar pedagogisch beleid ijken. Tot slot zijn de gegevens startpunt voor dialoog met en verantwoording naar ouders, inspectie en samenwerkingspartners.

KindeRdam en het Nederlands Jeugdinstituut vroegen subsidie voor dit project aan bij het ZonMw-programma Kwaliteit Kinderopvang. De aanvraag is door ZonMW beoordeeld als relevant, maar verdere uitwerking is noodzakelijk. Dit advies wordt ter harte genomen door de ervaring van twee jaar monitoren nu eerst in te bouwen in een dashboardomgeving die gevuld wordt door alle locaties van KindeRdam. De kinderopvangorganisatie is partner in het samenwerkingsverband Rijkt en aangesloten bij het landelijk netwerk KINDwijzer. De ambitie is om op termijn de gebruikersgroep uit te breiden, zodat structurele benchmarking op sectorniveau mogelijk is.

Samen met de jaarlijkse Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang en de resultaten van het landelijk toezicht kan het dashboard een complementair beeld geven van de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang. Dit vergroot het zelfbeoordelingsvermogen van de sector.

Bron: Nederlands Jeugdinstituut

Taskforce kindermishandeling ontvangt subsidie

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

Het ministerie van Volksgezondheid heeft de regio Hart van Brabant 100.000 euro subsidie gegeven om kindermishandeling aan te pakken met Taskforce kindermishandeling Tilburg. Dat meldde het Algemeen Dagblad op 17 januari.

De aanpak, onderdeel van het programma Taskforce kindermishandeling, moet zorgen dat plegers van kindermishandeling hun hulpverlening afronden. De hulpverlener gaat intensiever aan de slag met de pleger. In de praktijk gebeurt dit nu vaak onvoldoende. Uit onderzoek van bureau Regioplan in deze regio blijkt dat in zes van de honderd gevallen plegers het hulpverleningstraject afmaken.

De hulpverleners proberen na een incident direct in contact te komen met de dader voor een persoonlijk gesprek. Zij kunnen ook een ‘preventief huisverbod’ inzetten om iemand te stimuleren hulpverlening te accepteren.

Bron: Algemeen Dagblad

Bevorderen van moreel gedrag vermindert pesten

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

Door moreel gedrag van basisschoolkinderen aan te moedigen, wordt pesten in de klas verminderd. Dat concludeert Dorinde Jansma uit haar onderzoek, waarop zij op 25 januari promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Jansma onderzocht het morele gedrag van kinderen tussen 7 en 12 jaar, om pestgedrag te verklaren. Zij onderscheidt vier componenten van moreel gedrag: sensitiviteit, redenatie, motivatie en karakter. Onder sensitiviteit valt onder meer sympathie voor de ander. Een kind met een hoog moreel karakter is in staat om in lastige omstandigheden toch moreel te handelen.

Kinderen die opkomen voor gepeste kinderen tonen een hoog moreel karakter. Pesters daarentegen niet. Bij zogenaamde mildheid, een aspect van moreel karakter, was dit verband het sterkst. Jansma heeft vervolgens een interventieprogramma ontwikkeld om mildheid te bevorderen en pesten en antisociaal gedrag te verminderen in de klas.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Slob: Meer transparantie in budget passend onderwijs

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

De financiële reserves van samenwerkingsverbanden hoeven niet aan banden te worden gelegd. Wel moet de verantwoording en transparantie hierover verbeteren. Dat schrijft onderwijsminister Arie Slob aan de Tweede Kamer naar aanleiding van vragen van Kamerlid Lisa Westerveld (GroenLinks).

Slob wil dat samenwerkingsverbanden verantwoording afleggen over hun financiële keuzes. Voor de zomer dient hij een wetsvoorstel in om jaarstukken verplicht online beschikbaar te maken. Die regel zal naar alle waarschijnlijk begin 2019 ingaan.

In 2016 zagen de 152 samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs hun gezamenlijke eigen vermogen met 50 miljoen euro toenemen naar 206 miljoen euro. Het geld achten zij nodig om risico’s en tegenvallers op te vangen. ‘Van samenwerkingsverbanden verwacht ik dat zij een risico-inschatting maken en op basis daarvan sturen op de aan te houden reserve’, schrijft de minister. ‘Voorop staat dat het geld goed besteed moet worden aan de ondersteuning van leerlingen. Sparen mag geen doel op zich zijn.’

Bron: Ministerie van OCW; De Algemene Onderwijsbond

Onderzoek werkzame factoren Alert4you

Nieuwsbrief Jeugd – Nederlands Jeugdinstituut

Het ZonMw-programma Kwaliteit Kinderopvang heeft subsidie toegekend voor onderzoek naar Alert4you. Het onderzoek focust op de werkzame factoren van coaching op de groep, waarbij een coach uit de jeugdhulp op gelijkwaardig niveau samenwerkt met pedagogisch medewerkers. Het Kohnstamm Instituut voert het onderzoek uit in samenwerking met het Nederlands Jeugdinstituut, MOC ’t Kabouterhuis, drie gemeenten en diverse kinderopvangorganisaties.

Alert4you is een landelijk programma voor kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Het doel van het programma is kinderen die extra begeleiding nodig hebben vroegtijdig te signaleren en zo te voorkomen dat zij onnodig worden verwezen naar gespecialiseerde jeugdhulpvoorzieningen. Alert4You bestaat uit verschillende onderdelen en coaching op de groep blijkt het meest succesvol en effectief. Het is aannemelijk dat deze vorm van ketensamenwerking leidt tot betere kansen voor kinderen, een toename van de pedagogische kwaliteit in de groepen, een afname van de instroom in tweedelijnsvoorzieningen en uiteindelijk minder kosten.

In het onderzoek worden met de methodiek van verklarende evaluatie de veronderstelde werkzame factoren en de noodzakelijk geachte competenties bij de pedagogisch medewerkers en jeugdhulpspecialisten in kaart gebracht en verklaard. Wanneer de werkzame factoren bekend en bewezen zijn, kunnen andere sectoren in het jeugdveld deze mogelijk ook benutten.

Bron: Nederlands Jeugdinstituut

Page 10 of 155Eerste...89101112203040...Laatste

Nederlands Jeugd instituut